Vogels

Krombekstrandloper
Krombekstrandloper

De krombekstrandloper is een vrij schaarse doortrekker. Zoals de naam al doet vermoeden heeft de krombek een licht omlaag gebogen snavel. Deze snavel is een stuk langer dan bij het grote familielid de kanoet en in verhouding vergelijkbaar met de bonte strandloper. Krombekken in winterkleed zijn dan ook gemakkelijk te verwarren met bonte strandlopers.


Europese verspreiding

Krombekstrandlopers broeden in Rusland langs de Barentszee.


Biotoop

Intergetijdenzone, kust, wad.


Voedsel-en broedbiotoop

De krombekstrandloper broedt in Arctisch Siberië. Het nest, een kuiltje in de grond, wordt gemaakt op een zandhelling in de toendra. Tijdens de trek foerageert de krombekstrandloper op het wad in Nederland, soms ook in het binnenland.


Gedrag

Mengt zich tijdens het foerageren op de wad- en slikvlakten tussen de andere steltlopers. Tijdens het opvliegen vormen ze weer een aparte groep.


Trekroute

Volgt de Groot-cirkelroute; Vanuit het uiterste noorden van centraal Siberië trekken de krombekstrandlopers via Nederland naar West-Afrika. In het voorjaar trekken de vogels van West-Afrika via het Midden-Oosten terug naar hun broedgebieden.


Overwinteringsgebied

West-Afrika


Aantal en trend

De krombekstrandloper is aanwezig van juli tot en met oktober en mei. Ze worden dan vooral gezien in het Wadden- en Deltagebied, met een piek in juli en augustus-september. De aantallen variëren tussen enkele honderden tot een kleine 2000 exemplaren per jaar. De schommelingen laten een driejarige cyclus zien. Er wordt gesuggereerd dat deze gelijk loopt aan de lemmingencyclus. In jaren met veel lemmingen zouden Arctische predatoren de legsels van de krombekken met rust laten, met als resultaat een hoog broedsucces. In lemmingarme jaren zou de predatiedruk erg groot zijn, zodat het broedsucces sterk afneemt. In mei ligt het aantal krombrekstrandlopers zelden hoger dan 100.




» Terug naar het overzicht



Eigenschappen


Status

Doortrekker in vrij klein aantal.


Overige namen

Curlew Sandpiper , Calidris ferruginea


Orde

Charadriiformes


Familie

Strandlopers (Scolopacidae)


Broedperiode

Eind juni - begin juli


Aantal eieren

4


Aantal legsels

1


Snavel

Langer dan de kop, licht maar duidelijk omlaag gebogen.


Poten

In verhouding iets langer dan bij kanoet, ongeveer als bij bonte strandloper.


Opvallende kenmerken

Licht gebogen snavel en een roodbruin zomerkleed.


Voedsel

Schelpdieren en geleedpotigen worden in de bovenlaag van slikkige gebieden verzameld.




Welke ander leefgebieden