Vogels

Paapje
Paapje

Het paapje is een broedvogel van kruidenrijke, open graslanden, die op de grond een meestal goed verborgen nest bouwt. Het voedsel bestaat uit insekten, die vaak vanaf een zitplaats op een hoge plant, een paaltje of prikkeldraad opgespoord worden. Het zijn trekvogels, die ten zuiden van de Sahara overwinteren. In het broedseizoen vertonen beide vogels vaak een opmerkelijk gezamenlijk gedrag; mannetje en vrouwtje zijn voortdurend in elkaars nabijheid.


Europese verspreiding

Geheel Euorpa, maar minder in het Mediteraan gebied.


Biotoop

Graslanden, heide, rietland en ruigte, weiden (kleinschalig)


Voedsel-en broedbiotoop

Paapjes zoeken hun voedsel in de kruidenrijke, structuurrijke weilanden waar ze graag broeden. Langer braakliggende akkers of bouwrijp gemaakte terreinen kunnen soms in deze habitat voorzien.


Gedrag

Trilt met staart en vliegt laag over de grond naar uitkijkpost om te zoeken naar prooien.


Trekroute

Continentaal Europa


Overwinteringsgebied

Tropisch Oost-Afrika en de Sahel.


Oorzaak afname/toename

De belangrijkste oorzaken voor de enorme afname van het paapje zijn: Het omzetten van hooiland in gras- of maïsland, de verdroging van voorheen vochtige graslanden en de steeds vroegere eerste maaidatum van hooiland. Verruiging en verdroging spelen ook een rol in het deels ongeschikt worden van heide en duingebieden. In Drenthe vertoont de soort een duidelijke voorkeur voor extensief beheerde graslanden en bermen met een rijke insektenfauna. Intensief gebruikte weilanden met een homogene engels raaigras-vegetatie.


Aantal en trend

Paapjes waren lange tijd gewone broedvogels in landelijk Nederland. Vooral de hooilanden en blauwgraslanden voldeden perfect aan de biotoopeisen, terwijl de verspreiding op de weilanden wat minder was. Daarnaast kwam de soort voor op duingraslanden en heidevelden. Met de enorme veranderingen in agrarisch Nederland is het paapje sterk in aantal afgenomen. In de eerste helft van de eeuw bedroeg het aantal broedparen tenminste enkele duizenden. Rond 1975 waren hiervan nog 1250-1750 en anno 1990 circa 700-1100 paar over. Inmiddels is de soort in voorheen goed bezette streken als het rivierengebied, Noord-Brabant, Texel en Limburg uitgesproken schaars geworden. De belangrijkste broedgebieden zijn nu de Drentse heide en hooilanden en de duinstreek. Het aantal broedparen in agrarisch gebied is tegenwoordig veel lager dan in natuurgebieden.




» Terug naar het overzicht



Eigenschappen


Status

Zomervogel. Schaarse broedvogel; doortrekker in vrij klein aantal


Overige namen

Whinchat , Saxicola rubetra


Orde

Passeriformes


Familie

Lijsters (Turdidae)


Broedperiode

Mei-Juni


Aantal eieren

5 of 6


Snavel

Spits en zwart.


Poten

Zwart


Opvallende kenmerken

Volwassen mannetjes hebben een opvallend witte wenkbrauwstreep en tijdens de vlucht vallen de witte vleugelvlakken en staartbasis op.


Voedsel

Ongewervelden, zaden en bessen




Welke ander leefgebieden